Nu
zaten we tegenover elkaar in bed. We bewonderden elkaars lichaam in de roze
gloed van de kamer. De winterzon scheen zachtjes door het stof van de
gordijnen. Ze hadden een bloemenpatroon, of iets wat erop leek. Iets
psychedelisch in elk geval, te vermoeiend om naar te kijken na zo’n korte
nacht. Het weghotel waarin we elkaar kapot geneukt hadden was goedkoop, vuil en
het stonk er naar de vorige gasten, maar het kon ons niks schelen. ‘Vind je het
goed als ik er uit drink?’ vroeg ik.
‘Waar
uit?’
Ik
pakte zijn sleutelbeen vast met duim en wijsvinger. Ik keek even in zijn ogen
en likte mijn lippen. Daarna bevoelde ik de kuil in al zijn glorie. Zijn huid
was fluweelzacht, een beetje vochtig van het zweet. Ik kreeg opnieuw een
stijve.
‘Jij
bent vreemd,’ zei hij.
‘Is
dat niet precies wat jou in mij aantrekt?’ Ik kuchte en probeerde tevergeefs
een hoestbui te onderdrukken.
Daniël
haalde zijn schouders op. ‘Doe maar, als je het echt wil.’ Hij bekeek zichzelf in
de spiegel die in een schuine hoek tegenover hem stond. ‘Wacht eens, wat wil je
drinken misschien? Toch geen hete koffie?’
Ik
schudde met mijn hoofd. Ik liep naar de badkamer. Pas toen ik rechtstond voelde
ik hoe dringend ik moest pissen. Dat was lastig met een stijve. Ik keek naar de
gebruikte condooms in het toilet terwijl ik ongeduldig wachtte tot mijn erectie
verdwenen was. Het duurde zeker twee volle minuten. Tijdens het plassen had ik
een branderig gevoel. Toen ik klaar was, draaide ik mij om. Op de lavabo stond
mijn fles hoestsiroop. Ik had al enkele
weken last van chronische hoestbuien. Ik liep ermee naar Daniël en nam plaats
naast hem.
Toen Daniël
zag wat ik van plan was, zei hij: ‘Jezus, jij ben krankzinniger dan ik dacht.’
Ik
draaide de dop van de fles en goot het kuiltje aan zijn rechterkant vol. Ik deed
het heel voorzichtig, heel teder. Ik morste niet één druppel. De fles was leeg.
Daarna dronk ik de zoetigheid met kleine slokjes. Toen de siroop op was, beet
ik zachtjes in zijn sleutelbeen. Daniël pakte mijn hoofd met beide handen vast
en begon me hartstochtelijk te kussen. Elk plekje op m’n gezicht werd door hem
gelikt. We begonnen opnieuw te neuken. Het bed piepte en kraakte dat het een
lieve lust was, een melodie van ijzer en hout die perfect versmolt met het
ritme van Daniëls gekreun en mijn gehijg. Ik nam hem hard.
Twee
orgasmes later lagen we op onze rug naar de schimmelkringen op het plafond te
staren. We deelden een sigaret. ‘Weet je wat ik altijd al heb willen doen?’
vroeg hij.
‘Nee,’
zei ik. Ik deed niet eens moeite om te gissen. Ik blies blauwe kringetjes naar
de zoldering.
‘Een
apotheek overvallen.’
Dat
was zo ongeveer het laatste wat ik verwacht had. Ik keek naar hem om te
controleren of hij een grapje maakte, maar hij meende het.
‘Zoals
in die ene film met Matt Dillon.’
‘Lekkere
vent.’
‘Weet
je welke film ik bedoel?’
‘Drugstore
Cowboy,’ zei ik.
‘Juist,
die. Waarin ze met hun auto heel Amerika doorkruisen en onderweg elke apotheek
die ze tegenkomen overvallen om zo hun medicijnenverslaving in stand te
houden.’
Daniël
begon aan een betoog over waarom hij die film zo geweldig vond. Het werd me
snel duidelijk dat zijn idolatrie voor Drugstore
Cowboy symbool stond voor zijn wens om in de voetsporen van Dillon en zijn
kompanen te treden. Het had iets met hun ongedwongen levensstijl te maken en
zo. Moeilijk onder woorden te brengen, maar ik begreep wat hem zo aantrok in
die film. ‘Dus je wil dat ik samen met jou een apotheek overval?’
Daniëls
blik was pure ernst. ‘Dat zou mij echt gelukkig maken. Dan kan ik met een
gerust gemoed sterven.’
Ik
vond dat tamelijk fatalistisch. Ik keek naar de lege fles hoestsiroop en begon
spontaan te hoesten. ‘Ik kan anders wel een nieuwe fles gebruiken,’ kuchte ik.
‘En ook daar kunnen we er nooit te veel van hebben.’ Ik wees naar het pakje
condooms op het nachtkastje. We zwegen. We rookten nog een sigaret en daarna
nog een. We vielen in slaap en werden pas tegen de avond wakker.
‘Hoe
wil je het aanpakken?’ vroeg Daniël.
Ik had
erover gedroomd. Verschillende scenario’s waren door mijn hoofd geflitst.
Moeilijk leek het allemaal niet. Je moest er gewoon lef voor hebben. ‘Zo
gewelddadig mogelijk.’
‘Ben
je van plan om iemand te vermoorden misschien?’
‘Als
het moet wel,’ zei ik. Ik grinnikte en zag aan Daniëls gezicht dat hij niet
wist of ik het meende of slechts een grapje maakte. Ik wist het zelf ook niet.
‘We nemen best een grote tas mee zodat we zoveel mogelijk medicijnen kunnen
transporteren. Wat we zelf niet gebruiken kunnen we verkopen aan junks.’
‘En
een wapen?’
‘Dat
vinden we onderweg wel.’
‘Ik
heb nog een grote sporttas in m’n auto liggen,’ zei Daniël. Een poosje later
zaten we in zijn Fiat Cinquecento. Ik reed. Ik zag het neonbord van het
weghotel kleiner worden in de achteruitkijkspiegel. We scheurden over de
snelweg. Daniël zoende mijn hals, beet in de pezen van m’n nek en streelde mijn
lid. Mijn blik was gefocust op het zwarte asfalt, slechts onderbroken door
witte strepen in een hypnotiserende cadans. De verlaten weg baadde in de oranje
gloed van de straatlantaarns. Ik nam amper gas terug in de bochten en de helft
van de tijd reed ik op het verkeerde baanvak. De wagen was zo krakkemikkig dat
hij met elk manoeuvre uit elkaar leek te zullen vallen. Daniël kirde als een
puber. Hij was opgewonden.
We
reden langs de ruïnes van wat ooit een woonwijk moest worden. Wegens de crisis
was de bouw ervan nooit voltooid geweest. Het was een spookachtig landschap. Ik
ging op de rem staan.
‘Wat
is er?’ vroeg Daniël.
Ik zei
niets. Ik reed de wagen aan de kant en stapte uit. Daniël deed hetzelfde.
‘Waarom
zijn we hier gestopt?’
Ik
wees naar een stapel bakstenen bij een half huis. Ik begon weer onafgebroken te
hoesten. Het duurde wel twee minuten. ‘Pak er zoveel als je kunt dragen,’ zei
ik uiteindelijk. We klommen over de vangrail en liepen door het natte gras naar
de stapel, die overwoekerd was door mos en distels. Daniël haalde zijn hand
open aan een doorn en begon te jammeren. Hij bloedde. Ik snauwde dat hij een
nicht was en z’n kop moest houden. We sleepten elk een handvol stenen van het
huis naar de wagen. Daarna reden we verder. Ik vroeg Daniël of hij me wilde
pijpen. Hij zei dat hij geen zin had, nog steeds gekrenkt omdat ik hem een
nicht had genoemd. Maar hij kon niet anders. Het was immers dankzij mij dat zijn
droom vanavond in vervulling zou gaan.
Na een
uurtje rijden vonden we wat we zochten. Het groene kruis van de apotheek was
een lichtbaken in de nakende duisternis. We reden langzaam zodat we ons doelwit
konden bestuderen. De apotheek was de uitloper van een gehucht aan de rand van
de snelweg. Een beetje verderop was nog een kleine supermarkt. Verder was er
niks te zien. Het was er doods.
De
klinische gloed sijpelde door de ramen en de glazen schuifdeur over het
trottoir. Ik keek naar de digitale klok onder het groene kruis: 17:58. Het was
vlak voor sluitingstijd. Achter de toonbank stond een oude vrouw, omringd door
wandkasten en rekken vol flesjes, doosjes en tubes. Ze was bezig aantekeningen
te maken in een of ander schriftje. Dat kon ik heel goed zien door de
glasheldere ramen. Dat had je met apotheken; in tegenstelling tot Chinese
restaurants waren ze steriel.
‘Ik
heb een idee,’ begon ik tegen Daniël. ‘Jij gaat naar binnen en toont de wond in
je hand en vraagt de vrouw om watten en een flesje iso-betadine.’
‘Begrepen.
En dan?’
‘Dan
gaat het gebeuren.’
Meer uitleg
had Daniël blijkbaar niet nodig. Hij knikte driftig. Bijna wilde hij
uitstappen, maar ik gebood hem nog even te wachten. Ik reed naar de
parkeerplaats bij de supermarkt, keerde om, reed opnieuw tot aan de apotheek en
zette de Cinquecento met z’n neus in de richting van de snelweg. Ik liet de
motor stationair draaien. Daniël stapte uit. Hij was al op weg naar de
schuifdeur. Ik wilde zeggen dat hij moest wachten, maar ik bedacht me. In
plaats daarvan graaide ik de sporttas en twee bakstenen van de achterbank.
Op het
moment dat Daniël naar binnen wilde gaan, smeet ik een baksteen door het raam
naast de deur. Het kabaal was overweldigend. Ik zag hoe zowel de oude vrouw als
Daniël een halve meter in de lucht sprongen. Het was schitterend om te zien. Terwijl
de vrouw nog steeds probeerde te bevatten wat er aan de hand was, hoorde ik
Daniël krijsen als een bezetene: ‘YIIIHAAA.’ Met de allures van Matt Dillon
trapte hij het eerste rek dat hij tegenkwam in stukken.
Ik
rende naar binnen. De epoxyvloer lag bezaaid met scherven en andere troep. Ik
gleed uit en viel tegen de toonbank. Daniël begon te schateren. Ik trok mezelf
overeind en keek nu recht in het aangezicht van de vrouw. Ze was zo bleek als
porselein. Haar lippen trilden. Haar pupillen waren groot en ze keek schichtig,
alsof ze wilde vluchten maar verlamd was door angst. ‘Voor mij tweehonderd gram
rosbief,’ zei ik, en ik sloeg de andere baksteen kapot op de brug van haar
neus. Ze zakte in elkaar als een pudding.
Ondertussen
raapte Daniël de sporttas van de grond. Hij klom over de toonbank, verkocht de
vrouw een schop tegen haar ribbenkast en trok vervolgens alle deurtjes en
schuiven van de kasten open. ‘Zoveel medicijnen,’ stamelde hij vol
verwondering. God, wat had ik zin om hem ter plaatse te nemen. Hij zag er zo
vrolijk en jongensachtig uit, zo onschuldig. Maar we moesten ons haasten.
‘Zou
ze valse tanden hebben?’ vroeg ik.
‘Wat?’
‘Of die
ouwe trut valse tanden heeft?’
Daniël
haalde zijn schouders op. Ik klom ook over de toonbank. Ik moest het weten. Ik
bukte me over het bewusteloze lichaam van de vrouw en stak mijn wijsvinger in
haar mond. Ja hoor, ik had prijs. Ik lepelde haar ondertanden en boventanden
eruit. Ze ademde niet meer. Het ging eenvoudig. De geur van haar oudewijvenspeeksel
was niet te harden. Een typische kunstgebitstank. Toch stak ik haar tanden in
mijn jaszak.
We
laadden de tas vol met alles wat we konden vinden. Het maakte niet uit met wat.
Opioïden, zalfjes, antipsychotica, benzodiazepines, oogdruppels. We zouden onze
buit onderweg wel schatten. De tas was sneller vol dan ik had verwacht. Daniël
liep ermee naar buiten. In de vlucht griste ik nog snel een fles hoestsiroop
mee. Om condooms te zoeken was er geen tijd meer. Dan moest het maar zonder.
Ik
kroop achter het stuur. Daniël was nog steeds niet ingestapt. Hij had enkel de
tas op de achterbank gelegd. ‘Godverdomme, wil je soms dat we gepakt worden,
klootzak?’
‘Wacht,’
zei hij.
Toen
ik in de gaten kreeg wat hij van plan was, stapte ik uit om hem te vergezellen.
Het was een briljante ingeving. We namen de resterende bakstenen van de
achterbank en smeten alle ramen aan diggelen. Ik gooide zelfs een raam uit van
een auto die aan de overkant geparkeerd stond. Daniël probeerde het ook, maar
hij raakte enkel de motorkap. En daarna scheurden we weer de snelweg op.
Ik
reed uren aan een stuk. Tot de Cinquecento begon te sputteren omdat de benzine
op was. We bevonden ons in een niemandsland, pal onder een straatlantaarn. We
werden omringd door silhouetten van loodsen en fabrieken, en door treinsporen.
Tussen de geraamtes zag ik water glinsteren. ‘De haven,’ zuchtte ik. Daniël en
ik stapten simultaan uit de wagen als hadden we dit moment honderd maal
ingestudeerd. ‘Laat eens zien wat er in die sporttas zit.’ Ik kreeg opnieuw een
hoestbui. Mijn longen reutelden. Ik haalde een fluim op en spuugde hem in de
goot. Ik zocht naar de hoestsiroop in m’n jaszak, maar vergiste me in eerste
instantie van kant en voelde het plakkerige gebit van de oude vrouw. ‘Verdomme.’
Een beetje later had ik zowat de helft van de fles opgedronken. De suiker
bezorgde me een kick.
Ondertussen
had Daniël de inhoud van de tas op de grond tussen onze voeten gekieperd. ‘Een
schatkist,’ zei hij. Zijn blik was net die van een kind in een snoepwinkel. Hij
waadde met zijn handen tussen de flesjes en de doosjes, op zoek naar alles en
niets.
‘Wat
heb je daar?’
Hij hield
een doosje tussen zijn duim en wijsvinger. ‘Fentanyl.’
‘Nog
nooit van gehoord.’
‘Ik
wel. Het zijn pleisters. Zoals morfine, weet je wel, maar dan vele malen
sterker.’
‘Ach
zo.’ Ik keek naar beneden en ontdekte nog enkele identieke doosjes. Ik raapte
ze op.
‘Ik ga
mezelf van kant maken,’ zei Daniël opeens.
‘Wat?’
‘Ik
zweer het. Ik plak heel mijn lichaam vol pleisters en wacht tot mijn hart het
begeeft. Een overdosis.’
‘Is
dat niet wat impulsief?’ vroeg ik voorzichtig.
Ik zag
dat hij het meende. Zijn blik stond vastberaden. Daniël staarde naar het water.
Hij zuchtte enkele keren, kort maar diep. ‘Ik bedoel, wat heeft het voor zin?
Dit leven?’
Daar
zat iets in. Het behoefde weinig woorden om te beargumenteren waarom alles
uitzichtloos was. De maatschappij was compleet om zeep. En we zouden sowieso
gepakt worden voor de overval en de moord op de vrouw. Daniël en ik hadden
allebei besloten om te vluchten, zij het op een andere manier.
‘Wil
je me helpen?’
Ik kon
hem niks weigeren, daarvoor was hij te mooi. Daniël ontkleedde zich tot hij
helemaal naakt voor me stond. Hij beefde. Het was ijskoud buiten, maar dat kon
hem niet schelen. Samen met hem opende ik de pleisters. Het waren er
tientallen, honderden. We plakten elk plaatsje van zijn schrale lichaam vol:
zijn hals, zijn borstkas, zijn rug, zijn buikspieren, zijn billen, zijn
bovenarmen en zijn bovenbenen. Zijn onderarmen en zijn schenen. En tot slot de
kuiltjes achter zijn sleutelbeenderen. Gemakkelijk ging dat niet, omwille van de
welvingen.
Daniël
slikte ook nog een heleboel pillen om er zeker van te zijn dat hij kapot zou
gaan. Zijn scherpe adamsappel wipte snel op en neer. Ik hielp hem plaatsnemen
op de achterbank van de Cinquecento. Hij begon al suf te worden. Het verbaasde
me hoe snel zoiets ging. ‘Blijf je bij me tot ik weg ben?’ vroeg hij. Hij
toonde geen angst, hij had gewoon een hekel aan alleen zijn. Ik begon hem te
zoenen. Zijn tong en lippen smaakten bitter door de pillen. Het was geen
passionele kus, maar een afscheidskus, een kus uit liefde, een vierentwintig
uur jonge liefde.
Daniël
sloot zijn ogen. ‘Bedankt om mijn droom te verwezenlijken,’ fluisterde hij.
Zijn ademhaling ging steeds langzamer. Ik zat naast hem en keek naar zijn bleke
lichaam. Het smerige straatlicht fonkelde op de plaatsen waar zijn knoken bijna
door zijn vel prikten. Ik kuste ze een voor een. En ik hoestte. Ik dronk de
rest van mijn hoestsiroop op. Toen Daniël sliep, zette ik het op een rennen. Nog
één keer keek ik achterom. Ik had geen idee waar ik naartoe ging.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten