vrijdag 6 april 2018

Hoestsiroop (deel 5 van een reeks absurde verhaaltjes om jou te vermaken)

‘Jij hebt vrouwelijke sleutelbeenderen,’ zei ik tegen hem, en toen ik zag dat hij dat als een belediging opvatte, voegde ik er meteen aan toe dat het de mooiste exemplaren waren die ik ooit van dichtbij had aanschouwd. ‘Vooral de kuiltjes erachter zijn prachtig.’ Ik meende het echt. Daniël had de elegantie van een vrouw, ook al hoorde hij dat niet graag. Hij had zijn vrouwelijke kant altijd proberen te verbergen. Dat had hij me gisteren toevertrouwd toen we elkaar ontmoet hadden in een bar. Mij was het echter meteen opgevallen, hoe hard hij ook zijn best deed. En natuurlijk zag ik ook aan de manier waarop hij naar me keek dat hij met mij naar bed wilde. Die hunkering in zijn ogen… ik krijg er nog steeds kippenvel van.
Nu zaten we tegenover elkaar in bed. We bewonderden elkaars lichaam in de roze gloed van de kamer. De winterzon scheen zachtjes door het stof van de gordijnen. Ze hadden een bloemenpatroon, of iets wat erop leek. Iets psychedelisch in elk geval, te vermoeiend om naar te kijken na zo’n korte nacht. Het weghotel waarin we elkaar kapot geneukt hadden was goedkoop, vuil en het stonk er naar de vorige gasten, maar het kon ons niks schelen. ‘Vind je het goed als ik er uit drink?’ vroeg ik.
‘Waar uit?’
Ik pakte zijn sleutelbeen vast met duim en wijsvinger. Ik keek even in zijn ogen en likte mijn lippen. Daarna bevoelde ik de kuil in al zijn glorie. Zijn huid was fluweelzacht, een beetje vochtig van het zweet. Ik kreeg opnieuw een stijve.
‘Jij bent vreemd,’ zei hij.
‘Is dat niet precies wat jou in mij aantrekt?’ Ik kuchte en probeerde tevergeefs een hoestbui te onderdrukken.
Daniël haalde zijn schouders op. ‘Doe maar, als je het echt wil.’ Hij bekeek zichzelf in de spiegel die in een schuine hoek tegenover hem stond. ‘Wacht eens, wat wil je drinken misschien? Toch geen hete koffie?’
Ik schudde met mijn hoofd. Ik liep naar de badkamer. Pas toen ik rechtstond voelde ik hoe dringend ik moest pissen. Dat was lastig met een stijve. Ik keek naar de gebruikte condooms in het toilet terwijl ik ongeduldig wachtte tot mijn erectie verdwenen was. Het duurde zeker twee volle minuten. Tijdens het plassen had ik een branderig gevoel. Toen ik klaar was, draaide ik mij om. Op de lavabo stond mijn fles hoestsiroop.  Ik had al enkele weken last van chronische hoestbuien. Ik liep ermee naar Daniël en nam plaats naast hem.
Toen Daniël zag wat ik van plan was, zei hij: ‘Jezus, jij ben krankzinniger dan ik dacht.’
Ik draaide de dop van de fles en goot het kuiltje aan zijn rechterkant vol. Ik deed het heel voorzichtig, heel teder. Ik morste niet één druppel. De fles was leeg. Daarna dronk ik de zoetigheid met kleine slokjes. Toen de siroop op was, beet ik zachtjes in zijn sleutelbeen. Daniël pakte mijn hoofd met beide handen vast en begon me hartstochtelijk te kussen. Elk plekje op m’n gezicht werd door hem gelikt. We begonnen opnieuw te neuken. Het bed piepte en kraakte dat het een lieve lust was, een melodie van ijzer en hout die perfect versmolt met het ritme van Daniëls gekreun en mijn gehijg. Ik nam hem hard.
Twee orgasmes later lagen we op onze rug naar de schimmelkringen op het plafond te staren. We deelden een sigaret. ‘Weet je wat ik altijd al heb willen doen?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei ik. Ik deed niet eens moeite om te gissen. Ik blies blauwe kringetjes naar de zoldering.
‘Een apotheek overvallen.’
Dat was zo ongeveer het laatste wat ik verwacht had. Ik keek naar hem om te controleren of hij een grapje maakte, maar hij meende het.
‘Zoals in die ene film met Matt Dillon.’
‘Lekkere vent.’
‘Weet je welke film ik bedoel?’
‘Drugstore Cowboy,’ zei ik.
‘Juist, die. Waarin ze met hun auto heel Amerika doorkruisen en onderweg elke apotheek die ze tegenkomen overvallen om zo hun medicijnenverslaving in stand te houden.’
Daniël begon aan een betoog over waarom hij die film zo geweldig vond. Het werd me snel duidelijk dat zijn idolatrie voor Drugstore Cowboy symbool stond voor zijn wens om in de voetsporen van Dillon en zijn kompanen te treden. Het had iets met hun ongedwongen levensstijl te maken en zo. Moeilijk onder woorden te brengen, maar ik begreep wat hem zo aantrok in die film. ‘Dus je wil dat ik samen met jou een apotheek overval?’
Daniëls blik was pure ernst. ‘Dat zou mij echt gelukkig maken. Dan kan ik met een gerust gemoed sterven.’
Ik vond dat tamelijk fatalistisch. Ik keek naar de lege fles hoestsiroop en begon spontaan te hoesten. ‘Ik kan anders wel een nieuwe fles gebruiken,’ kuchte ik. ‘En ook daar kunnen we er nooit te veel van hebben.’ Ik wees naar het pakje condooms op het nachtkastje. We zwegen. We rookten nog een sigaret en daarna nog een. We vielen in slaap en werden pas tegen de avond wakker.
‘Hoe wil je het aanpakken?’ vroeg Daniël.
Ik had erover gedroomd. Verschillende scenario’s waren door mijn hoofd geflitst. Moeilijk leek het allemaal niet. Je moest er gewoon lef voor hebben. ‘Zo gewelddadig mogelijk.’
‘Ben je van plan om iemand te vermoorden misschien?’
‘Als het moet wel,’ zei ik. Ik grinnikte en zag aan Daniëls gezicht dat hij niet wist of ik het meende of slechts een grapje maakte. Ik wist het zelf ook niet. ‘We nemen best een grote tas mee zodat we zoveel mogelijk medicijnen kunnen transporteren. Wat we zelf niet gebruiken kunnen we verkopen aan junks.’
‘En een wapen?’
‘Dat vinden we onderweg wel.’
‘Ik heb nog een grote sporttas in m’n auto liggen,’ zei Daniël. Een poosje later zaten we in zijn Fiat Cinquecento. Ik reed. Ik zag het neonbord van het weghotel kleiner worden in de achteruitkijkspiegel. We scheurden over de snelweg. Daniël zoende mijn hals, beet in de pezen van m’n nek en streelde mijn lid. Mijn blik was gefocust op het zwarte asfalt, slechts onderbroken door witte strepen in een hypnotiserende cadans. De verlaten weg baadde in de oranje gloed van de straatlantaarns. Ik nam amper gas terug in de bochten en de helft van de tijd reed ik op het verkeerde baanvak. De wagen was zo krakkemikkig dat hij met elk manoeuvre uit elkaar leek te zullen vallen. Daniël kirde als een puber. Hij was opgewonden.
We reden langs de ruïnes van wat ooit een woonwijk moest worden. Wegens de crisis was de bouw ervan nooit voltooid geweest. Het was een spookachtig landschap. Ik ging op de rem staan.
‘Wat is er?’ vroeg Daniël.
Ik zei niets. Ik reed de wagen aan de kant en stapte uit. Daniël deed hetzelfde.
‘Waarom zijn we hier gestopt?’
Ik wees naar een stapel bakstenen bij een half huis. Ik begon weer onafgebroken te hoesten. Het duurde wel twee minuten. ‘Pak er zoveel als je kunt dragen,’ zei ik uiteindelijk. We klommen over de vangrail en liepen door het natte gras naar de stapel, die overwoekerd was door mos en distels. Daniël haalde zijn hand open aan een doorn en begon te jammeren. Hij bloedde. Ik snauwde dat hij een nicht was en z’n kop moest houden. We sleepten elk een handvol stenen van het huis naar de wagen. Daarna reden we verder. Ik vroeg Daniël of hij me wilde pijpen. Hij zei dat hij geen zin had, nog steeds gekrenkt omdat ik hem een nicht had genoemd. Maar hij kon niet anders. Het was immers dankzij mij dat zijn droom vanavond in vervulling zou gaan.
Na een uurtje rijden vonden we wat we zochten. Het groene kruis van de apotheek was een lichtbaken in de nakende duisternis. We reden langzaam zodat we ons doelwit konden bestuderen. De apotheek was de uitloper van een gehucht aan de rand van de snelweg. Een beetje verderop was nog een kleine supermarkt. Verder was er niks te zien. Het was er doods.
De klinische gloed sijpelde door de ramen en de glazen schuifdeur over het trottoir. Ik keek naar de digitale klok onder het groene kruis: 17:58. Het was vlak voor sluitingstijd. Achter de toonbank stond een oude vrouw, omringd door wandkasten en rekken vol flesjes, doosjes en tubes. Ze was bezig aantekeningen te maken in een of ander schriftje. Dat kon ik heel goed zien door de glasheldere ramen. Dat had je met apotheken; in tegenstelling tot Chinese restaurants waren ze steriel.
‘Ik heb een idee,’ begon ik tegen Daniël. ‘Jij gaat naar binnen en toont de wond in je hand en vraagt de vrouw om watten en een flesje iso-betadine.’
‘Begrepen. En dan?’
‘Dan gaat het gebeuren.’
Meer uitleg had Daniël blijkbaar niet nodig. Hij knikte driftig. Bijna wilde hij uitstappen, maar ik gebood hem nog even te wachten. Ik reed naar de parkeerplaats bij de supermarkt, keerde om, reed opnieuw tot aan de apotheek en zette de Cinquecento met z’n neus in de richting van de snelweg. Ik liet de motor stationair draaien. Daniël stapte uit. Hij was al op weg naar de schuifdeur. Ik wilde zeggen dat hij moest wachten, maar ik bedacht me. In plaats daarvan graaide ik de sporttas en twee bakstenen van de achterbank.
Op het moment dat Daniël naar binnen wilde gaan, smeet ik een baksteen door het raam naast de deur. Het kabaal was overweldigend. Ik zag hoe zowel de oude vrouw als Daniël een halve meter in de lucht sprongen. Het was schitterend om te zien. Terwijl de vrouw nog steeds probeerde te bevatten wat er aan de hand was, hoorde ik Daniël krijsen als een bezetene: ‘YIIIHAAA.’ Met de allures van Matt Dillon trapte hij het eerste rek dat hij tegenkwam in stukken.
Ik rende naar binnen. De epoxyvloer lag bezaaid met scherven en andere troep. Ik gleed uit en viel tegen de toonbank. Daniël begon te schateren. Ik trok mezelf overeind en keek nu recht in het aangezicht van de vrouw. Ze was zo bleek als porselein. Haar lippen trilden. Haar pupillen waren groot en ze keek schichtig, alsof ze wilde vluchten maar verlamd was door angst. ‘Voor mij tweehonderd gram rosbief,’ zei ik, en ik sloeg de andere baksteen kapot op de brug van haar neus. Ze zakte in elkaar als een pudding.
Ondertussen raapte Daniël de sporttas van de grond. Hij klom over de toonbank, verkocht de vrouw een schop tegen haar ribbenkast en trok vervolgens alle deurtjes en schuiven van de kasten open. ‘Zoveel medicijnen,’ stamelde hij vol verwondering. God, wat had ik zin om hem ter plaatse te nemen. Hij zag er zo vrolijk en jongensachtig uit, zo onschuldig. Maar we moesten ons haasten.
‘Zou ze valse tanden hebben?’ vroeg ik.
‘Wat?’
‘Of die ouwe trut valse tanden heeft?’
Daniël haalde zijn schouders op. Ik klom ook over de toonbank. Ik moest het weten. Ik bukte me over het bewusteloze lichaam van de vrouw en stak mijn wijsvinger in haar mond. Ja hoor, ik had prijs. Ik lepelde haar ondertanden en boventanden eruit. Ze ademde niet meer. Het ging eenvoudig. De geur van haar oudewijvenspeeksel was niet te harden. Een typische kunstgebitstank. Toch stak ik haar tanden in mijn jaszak.
We laadden de tas vol met alles wat we konden vinden. Het maakte niet uit met wat. Opioïden, zalfjes, antipsychotica, benzodiazepines, oogdruppels. We zouden onze buit onderweg wel schatten. De tas was sneller vol dan ik had verwacht. Daniël liep ermee naar buiten. In de vlucht griste ik nog snel een fles hoestsiroop mee. Om condooms te zoeken was er geen tijd meer. Dan moest het maar zonder.
Ik kroop achter het stuur. Daniël was nog steeds niet ingestapt. Hij had enkel de tas op de achterbank gelegd. ‘Godverdomme, wil je soms dat we gepakt worden, klootzak?’
‘Wacht,’ zei hij.
Toen ik in de gaten kreeg wat hij van plan was, stapte ik uit om hem te vergezellen. Het was een briljante ingeving. We namen de resterende bakstenen van de achterbank en smeten alle ramen aan diggelen. Ik gooide zelfs een raam uit van een auto die aan de overkant geparkeerd stond. Daniël probeerde het ook, maar hij raakte enkel de motorkap. En daarna scheurden we weer de snelweg op.
Ik reed uren aan een stuk. Tot de Cinquecento begon te sputteren omdat de benzine op was. We bevonden ons in een niemandsland, pal onder een straatlantaarn. We werden omringd door silhouetten van loodsen en fabrieken, en door treinsporen. Tussen de geraamtes zag ik water glinsteren. ‘De haven,’ zuchtte ik. Daniël en ik stapten simultaan uit de wagen als hadden we dit moment honderd maal ingestudeerd. ‘Laat eens zien wat er in die sporttas zit.’ Ik kreeg opnieuw een hoestbui. Mijn longen reutelden. Ik haalde een fluim op en spuugde hem in de goot. Ik zocht naar de hoestsiroop in m’n jaszak, maar vergiste me in eerste instantie van kant en voelde het plakkerige gebit van de oude vrouw. ‘Verdomme.’ Een beetje later had ik zowat de helft van de fles opgedronken. De suiker bezorgde me een kick.
Ondertussen had Daniël de inhoud van de tas op de grond tussen onze voeten gekieperd. ‘Een schatkist,’ zei hij. Zijn blik was net die van een kind in een snoepwinkel. Hij waadde met zijn handen tussen de flesjes en de doosjes, op zoek naar alles en niets.
‘Wat heb je daar?’
Hij hield een doosje tussen zijn duim en wijsvinger. ‘Fentanyl.’
‘Nog nooit van gehoord.’
‘Ik wel. Het zijn pleisters. Zoals morfine, weet je wel, maar dan vele malen sterker.’
‘Ach zo.’ Ik keek naar beneden en ontdekte nog enkele identieke doosjes. Ik raapte ze op.
‘Ik ga mezelf van kant maken,’ zei Daniël opeens.
‘Wat?’
‘Ik zweer het. Ik plak heel mijn lichaam vol pleisters en wacht tot mijn hart het begeeft. Een overdosis.’
‘Is dat niet wat impulsief?’ vroeg ik voorzichtig.
Ik zag dat hij het meende. Zijn blik stond vastberaden. Daniël staarde naar het water. Hij zuchtte enkele keren, kort maar diep. ‘Ik bedoel, wat heeft het voor zin? Dit leven?’
Daar zat iets in. Het behoefde weinig woorden om te beargumenteren waarom alles uitzichtloos was. De maatschappij was compleet om zeep. En we zouden sowieso gepakt worden voor de overval en de moord op de vrouw. Daniël en ik hadden allebei besloten om te vluchten, zij het op een andere manier.
‘Wil je me helpen?’
Ik kon hem niks weigeren, daarvoor was hij te mooi. Daniël ontkleedde zich tot hij helemaal naakt voor me stond. Hij beefde. Het was ijskoud buiten, maar dat kon hem niet schelen. Samen met hem opende ik de pleisters. Het waren er tientallen, honderden. We plakten elk plaatsje van zijn schrale lichaam vol: zijn hals, zijn borstkas, zijn rug, zijn buikspieren, zijn billen, zijn bovenarmen en zijn bovenbenen. Zijn onderarmen en zijn schenen. En tot slot de kuiltjes achter zijn sleutelbeenderen. Gemakkelijk ging dat niet, omwille van de welvingen.
Daniël slikte ook nog een heleboel pillen om er zeker van te zijn dat hij kapot zou gaan. Zijn scherpe adamsappel wipte snel op en neer. Ik hielp hem plaatsnemen op de achterbank van de Cinquecento. Hij begon al suf te worden. Het verbaasde me hoe snel zoiets ging. ‘Blijf je bij me tot ik weg ben?’ vroeg hij. Hij toonde geen angst, hij had gewoon een hekel aan alleen zijn. Ik begon hem te zoenen. Zijn tong en lippen smaakten bitter door de pillen. Het was geen passionele kus, maar een afscheidskus, een kus uit liefde, een vierentwintig uur jonge liefde.
Daniël sloot zijn ogen. ‘Bedankt om mijn droom te verwezenlijken,’ fluisterde hij. Zijn ademhaling ging steeds langzamer. Ik zat naast hem en keek naar zijn bleke lichaam. Het smerige straatlicht fonkelde op de plaatsen waar zijn knoken bijna door zijn vel prikten. Ik kuste ze een voor een. En ik hoestte. Ik dronk de rest van mijn hoestsiroop op. Toen Daniël sliep, zette ik het op een rennen. Nog één keer keek ik achterom. Ik had geen idee waar ik naartoe ging.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten