zondag 18 maart 2018

De stoma van nonkel Rudy (deel 2 van een reeks absurde verhaaltjes om jou te vermaken)

Eigenlijk was nonkel Rudy niet mijn nonkel, maar die van mijn vader. Veel had je niet aan hem. De stakker was dement en op familiefeestjes zat hij meestal verdwaasd voor zich uit te staren. Soms mompelde hij wat in zichzelf of disselde hij verhalen uit zijn legertijd op. Zo verwarde hij mijn vader vaak met zijn toenmalige sergeant en dan stond hij plots recht uit zijn zetel voor het saluut. Vervolgens ging hij weer zitten om een uur domweg in het ijle te staren met die zieke blik van ‘em.
Nonkel Rudy was achter in de zestig. Hij was al jaren alleen. Zijn vrouw – tante Suzy – was vlak na hun huwelijk vanwege een erfeniskwestie vermoord door haar eigen zus, die haar in de beerput had geduwd. Daarin was ze gestikt of verdronken of allebei. Nonkel Rudy was sinds die dag zichzelf niet meer, ging het gerucht. Ik vermoedde dat hij liever dood was geweest, maar dat hij te lui was om zichzelf van kant te maken. Iedereen had medelijden met hem, zeker nu hij ook nog begon te dementeren.
Maar we vonden het stiekem ook hilarisch om hem te zien sukkelen en worstelen met alledaagse dingen zoals het opsteken van een sigaret. Zo dacht hij een keer dat zijn flesje bier een aansteker was en zat hij maar te trekken aan zijn sigaret en te vloeken omdat ze niet wilde branden. Zijn kop werd rood van frustratie en hij begon nerveus heen en weer te wiebelen. Mijn vader en ik zaten hem uit te lachen. We hoopten dat het moment eeuwig zou duren, God, ons middenrif deed pijn van het schateren, maar uiteindelijk smeet nonkel Rudy het flesje bier in een vlaag van pure colère tegen het televisiescherm, waar het uiteenspatte in een regen van glas en schuim. De beeldbuis bleef intact en dus ging de weerman rustig verder met zijn praatje. Ik geloof dat hij sneeuwbuien aankondigde, maar dat weet ik niet zeker meer.
Elk jaar zag je nonkel Rudy meer en meer aftakelen. Het werd pas echt triestig toen hij darmkanker kreeg. Het verbaasde me dat hij zich liet opereren. Ik had er geld op durven verwedden dat hij zichzelf gewoon naar de klote zou laten gaan, maar die ouwe rukker liet dus de helft van zijn darmen weghalen om nog enkele jaren in zijn eigen ellende te kunnen verzuipen. Er was wel een flink nadeel verbonden aan het uitstel van zijn dood: een stoma.
Nonkel Rudy kon niet meer schijten langs zijn anus. Alles werd nu omgeleid via een verbinding tussen zijn darmen en een gat in zijn buik. Rond dat gat zat een plastic zakje waarin zijn stront werd opgevangen. De dokter had hem alles uitgelegd. Dat hij niet meer naar het toilet hoefde en zo, dat het zakje regelmatig geledigd moest worden en zo, dat soort dingen en zo. Wat de dokter duidelijk onderschat had, was nonkel Rudy’s steeds erger wordende dementie.
Tijdens het volgende familiefeestje liep het namelijk helemaal uit de hand. Mijn tante Mathilde (de zus van mijn vader) vierde haar vijftigste verjaardag. Ze had ons allemaal uitgenodigd om een weekend te gaan logeren in een reusachtige blokhut in de Ardennen. Het was herfst, uitstekend weer voor boswandelingen. Er stonden allerlei activiteiten op het programma: gezelschapsspelletjes, een quiz, een bezoek aan een oud kasteel en nog meer van dat soort onzin.
Nonkel Rudy had voortdurend de neiging om naar het toilet te gaan. Telkens stond hij op uit de canapé, liep naar de plee en begon aan de deurknop te morrelen. En telkens opnieuw ging mijn vader achter hem aan om hem uit te leggen dat dat niet meer hoefde. ‘Nonkel Rudy,’ zei hij dan, ‘je hebt nu een stoma.’
‘Wat is dat?’
‘Een systeem zodat je niet meer naar de plee moet.’
‘Maar ik moet kakken,’ protesteerde nonkel Rudy.
‘Dat gaat vanzelf nu. Kom maar mee.’ Mijn vader bracht hem terug naar de woonkamer en zapte naar een televisiekanaal waar snooker gespeeld werd.
Nonkel Rudy was verzot op snooker. O’Sullivan was zijn favoriete speler en de roze zijn favoriete bal. ‘Wist je dat O’Sullivan de snelste 147 in de geschiedenis heeft gemaakt?’ begon hij. Dat verhaal had hij al duizend keer verteld, maar mijn vader moedigde hem aan om het nog een keer te vertellen, dan dacht hij tenminste niet meer aan schijten. ‘Het was in 1997 tegen Mick Price. Slechts vijf minuten en twintig seconden had die Ronnie nodig. Ze noemen hem The Rocket.’ Enzovoort. Een halfuur later stond nonkel Rudy weer aan de deurknop van het toilet te morrelen. Zo ging het de hele dag door.
Later op de avond zaten we te tafelen. Tante Mathilde had gebraad met erwtjes en zelfgemaakte kroketten bereid. Het was overheerlijk. Ik staarde naar het kleine lepeltje naast mijn bord en gokte in mezelf wat het dessert zou zijn. Ik hoopte op rijstpap met bruine suiker. Er hing een feestelijke sfeer. Iedereen at in stilte. Tantes, nonkels, vaders, moeders, neven en nichten. Het enige geluid was afkomstig van de smakelijk smakkende monden. Tot nonkel Rudy opeens woedend zijn bestek wegsmeet en begon te brullen: ‘Kan iemand mij godverdomme eens uitleggen waarom ik niet meer mag gaan schijten?’ Daarna begon hij onbedaarlijk te snikken. Tante Mathilde en mijn vader begeleidden hem terug naar het televisiescherm en gaven hem een schaaltje rijstpap met een dubbele dosis bruine suiker.
’s Avonds deden we verschillende gezelschapspelletjes: levensweg, kaarten, monopoly. En er waren allerlei versnaperingen, koffie en thee. Het was een gezellige boel, ondanks arme nonkel Rudy die ondertussen al in zijn bed lag. Naarmate de avond vorderde gingen er meer mensen naar hun kamer, tot uiteindelijk mijn vader en ik overbleven. We rookten nog een sigaret in de veranda. We openden een fles whisky en maakten ze helemaal soldaat. Het werd een lange, wazige nacht.
Opeens zei mijn vader: ‘Ik heb een idee.’ Als hij dronken was, kreeg hij altijd briljante ingevingen, die ouwe van me. Ik vroeg hem wat hij van plan was en hij zei me hem naar boven te volgen. Eerst pakte hij een schaar uit de keukenschuif. We stommelden de trap op en maanden elkaar aan om stiller te zijn.
‘Ssst, straks wordt tante Mathilde wakker,’ zei ik.
‘Jouw tante slaapt als een roosje. Al sinds we kinderen waren.’
We stonden op de overloop. ‘En nu?’ vroeg ik.
Mijn vader sloop op de toppen van zijn tenen naar de kamer van nonkel Rudy. De deur stond op een kier en er weerklonk vochtig, tuberculeus gesnurk, alsof er een fluim in zijn keel vastzat. We gingen naar binnen. Mijn vader deed het gordijn een beetje opzij zodat het maanlicht over de iele contouren van nonkel Rudy viel. Hij fluisterde langs de wijsvinger die op zijn lippen lag: ‘Stil wezen.’ Ik wist niet wat hij van plan was, maar vond het allemaal best.
Mijn vader liep naar nonkel Rudy, die vast lag te slapen, en deed de deken naar omlaag. Even weerklonk er een onregelmatigheid in het gesnurk. Nonkel Rudy’s been stuiptrekte. Hij sliep uiteindelijk gewoon door. Zijn gezicht zag er verschrikkelijk oud uit in dat smerige maanlicht. Mijn vader boog zich over het bed. ‘Help eens even,’ fluisterde hij. Ik moest nonkel Rudy’s nachthemd optillen. Dat deed ik. Ik was te dronken om te beseffen dat dit allemaal te ver ging. Mijn vader keek grijzend naar de stoma. Ik zag hoe hij de schaar in het plastic reservoir zette en er een gat in knipte. Ik liet het nachtkleed zakken. We trokken de deken weer omhoog en strompelden naar buiten, elk naar onze eigen kamer.
Ik plofte neer op bed. Het viel me niet mee om in slaap te geraken. Ik was misselijk. Dat had je natuurlijk als je lang niet gezopen had. Boven mij leek de kroonluchter te draaien als een duivels reuzenrad dat bij elke omwenteling mijn maag nog meer ineen deed krimpen. Ik begon te zweten en probeerde het kokhalzen te onderdrukken door speeksel weg te slikken. Ik wist dat ik van mijn leven mijn lamme benen niet meer in beweging zou kunnen krijgen om naar de badkamer te kruipen. Ik hoopte dus op het beste en had geluk, want ik viel uiteindelijk zonder overgeven in slaap.
De volgende ochtend werd ik gewekt door afgrijselijk gekrijs dat op de ganse overloop weergalmde. Het duurde enkele seconden voor ik de stem van nonkel Rudy herkende. Daarna duurde het nog een aantal seconden voor de gebeurtenissen van afgelopen nacht in vlagen aan me verschenen, als ongesorteerde puzzelstukjes. Voor mij zag ik het beeld van mijn vader, de schaar en de stoma. Ik kreeg de slappe lach, ondanks mijn houten kop.
Ik stond op en liep de overloop op. Enkele familieleden, waaronder mijn vader en tante Mathilde, stonden in de kamer van nonkel Rudy. Ik keek over hun schouders naar het bed, waar de ouwe stakker in zijn eigen stront lag te spartelen. ‘Ik heb gescheten,’ jammerde hij. De lakens waren smerig en het stonk er verschrikkelijk.
Tante Mathilde kneep haar neus dicht en schudde met haar hoofd. ‘Het wordt tijd dat we aan een bejaardentehuis denken, vind je niet?’
Mijn vader knikte. Hij keek naar me en ik zag een ondeugend glimlachje om zijn lippen spelen. Hij leek weer een jongen van acht.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten