Nonkel
Rudy was achter in de zestig. Hij was al jaren alleen. Zijn vrouw – tante Suzy
– was vlak na hun huwelijk vanwege een erfeniskwestie vermoord door haar eigen
zus, die haar in de beerput had geduwd. Daarin was ze gestikt of verdronken of
allebei. Nonkel Rudy was sinds die dag zichzelf niet meer, ging het gerucht. Ik
vermoedde dat hij liever dood was geweest, maar dat hij te lui was om zichzelf
van kant te maken. Iedereen had medelijden met hem, zeker nu hij ook nog begon
te dementeren.
Maar we
vonden het stiekem ook hilarisch om hem te zien sukkelen en worstelen met
alledaagse dingen zoals het opsteken van een sigaret. Zo dacht hij een keer dat
zijn flesje bier een aansteker was en zat hij maar te trekken aan zijn sigaret
en te vloeken omdat ze niet wilde branden. Zijn kop werd rood van frustratie en
hij begon nerveus heen en weer te wiebelen. Mijn vader en ik zaten hem uit te
lachen. We hoopten dat het moment eeuwig zou duren, God, ons middenrif deed
pijn van het schateren, maar uiteindelijk smeet nonkel Rudy het flesje bier in
een vlaag van pure colère tegen het televisiescherm, waar het uiteenspatte in
een regen van glas en schuim. De beeldbuis bleef intact en dus ging de weerman
rustig verder met zijn praatje. Ik geloof dat hij sneeuwbuien aankondigde, maar
dat weet ik niet zeker meer.
Elk
jaar zag je nonkel Rudy meer en meer aftakelen. Het werd pas echt triestig toen
hij darmkanker kreeg. Het verbaasde me dat hij zich liet opereren. Ik had er
geld op durven verwedden dat hij zichzelf gewoon naar de klote zou laten gaan,
maar die ouwe rukker liet dus de helft van zijn darmen weghalen om nog enkele
jaren in zijn eigen ellende te kunnen verzuipen. Er was wel een flink nadeel
verbonden aan het uitstel van zijn dood: een stoma.
Nonkel
Rudy kon niet meer schijten langs zijn anus. Alles werd nu omgeleid via een
verbinding tussen zijn darmen en een gat in zijn buik. Rond dat gat zat een plastic
zakje waarin zijn stront werd opgevangen. De dokter had hem alles uitgelegd.
Dat hij niet meer naar het toilet hoefde en zo, dat het zakje regelmatig
geledigd moest worden en zo, dat soort dingen en zo. Wat de dokter duidelijk
onderschat had, was nonkel Rudy’s steeds erger wordende dementie.
Tijdens
het volgende familiefeestje liep het namelijk helemaal uit de hand. Mijn tante
Mathilde (de zus van mijn vader) vierde haar vijftigste verjaardag. Ze had ons
allemaal uitgenodigd om een weekend te gaan logeren in een reusachtige blokhut
in de Ardennen. Het was herfst, uitstekend weer voor boswandelingen. Er stonden
allerlei activiteiten op het programma: gezelschapsspelletjes, een quiz, een
bezoek aan een oud kasteel en nog meer van dat soort onzin.
Nonkel
Rudy had voortdurend de neiging om naar het toilet te gaan. Telkens stond hij
op uit de canapé, liep naar de plee en begon aan de deurknop te morrelen. En
telkens opnieuw ging mijn vader achter hem aan om hem uit te leggen dat dat
niet meer hoefde. ‘Nonkel Rudy,’ zei hij dan, ‘je hebt nu een stoma.’
‘Wat
is dat?’
‘Een
systeem zodat je niet meer naar de plee moet.’
‘Maar
ik moet kakken,’ protesteerde nonkel Rudy.
‘Dat
gaat vanzelf nu. Kom maar mee.’ Mijn vader bracht hem terug naar de woonkamer
en zapte naar een televisiekanaal waar snooker gespeeld werd.
Nonkel
Rudy was verzot op snooker. O’Sullivan was zijn favoriete speler en de roze
zijn favoriete bal. ‘Wist je dat O’Sullivan de snelste 147 in de geschiedenis
heeft gemaakt?’ begon hij. Dat verhaal had hij al duizend keer verteld, maar
mijn vader moedigde hem aan om het nog een keer te vertellen, dan dacht hij
tenminste niet meer aan schijten. ‘Het was in 1997 tegen Mick Price. Slechts
vijf minuten en twintig seconden had die Ronnie nodig. Ze noemen hem The
Rocket.’ Enzovoort. Een halfuur later stond nonkel Rudy weer aan de deurknop
van het toilet te morrelen. Zo ging het de hele dag door.
Later
op de avond zaten we te tafelen. Tante Mathilde had gebraad met erwtjes en
zelfgemaakte kroketten bereid. Het was overheerlijk. Ik staarde naar het kleine
lepeltje naast mijn bord en gokte in mezelf wat het dessert zou zijn. Ik hoopte
op rijstpap met bruine suiker. Er hing een feestelijke sfeer. Iedereen at in
stilte. Tantes, nonkels, vaders, moeders, neven en nichten. Het enige geluid was
afkomstig van de smakelijk smakkende monden. Tot nonkel Rudy opeens woedend
zijn bestek wegsmeet en begon te brullen: ‘Kan iemand mij godverdomme eens
uitleggen waarom ik niet meer mag gaan schijten?’ Daarna begon hij onbedaarlijk
te snikken. Tante Mathilde en mijn vader begeleidden hem terug naar het
televisiescherm en gaven hem een schaaltje rijstpap met een dubbele dosis
bruine suiker.
’s
Avonds deden we verschillende gezelschapspelletjes: levensweg, kaarten,
monopoly. En er waren allerlei versnaperingen, koffie en thee. Het was een
gezellige boel, ondanks arme nonkel Rudy die ondertussen al in zijn bed lag.
Naarmate de avond vorderde gingen er meer mensen naar hun kamer, tot
uiteindelijk mijn vader en ik overbleven. We rookten nog een sigaret in de
veranda. We openden een fles whisky en maakten ze helemaal soldaat. Het werd
een lange, wazige nacht.
Opeens
zei mijn vader: ‘Ik heb een idee.’ Als hij dronken was, kreeg hij altijd
briljante ingevingen, die ouwe van me. Ik vroeg hem wat hij van plan was en hij
zei me hem naar boven te volgen. Eerst pakte hij een schaar uit de
keukenschuif. We stommelden de trap op en maanden elkaar aan om stiller te
zijn.
‘Ssst,
straks wordt tante Mathilde wakker,’ zei ik.
‘Jouw
tante slaapt als een roosje. Al sinds we kinderen waren.’
We
stonden op de overloop. ‘En nu?’ vroeg ik.
Mijn
vader sloop op de toppen van zijn tenen naar de kamer van nonkel Rudy. De deur
stond op een kier en er weerklonk vochtig, tuberculeus gesnurk, alsof er een
fluim in zijn keel vastzat. We gingen naar binnen. Mijn vader deed het gordijn
een beetje opzij zodat het maanlicht over de iele contouren van nonkel Rudy
viel. Hij fluisterde langs de wijsvinger die op zijn lippen lag: ‘Stil wezen.’ Ik
wist niet wat hij van plan was, maar vond het allemaal best.
Mijn
vader liep naar nonkel Rudy, die vast lag te slapen, en deed de deken naar
omlaag. Even weerklonk er een onregelmatigheid in het gesnurk. Nonkel Rudy’s
been stuiptrekte. Hij sliep uiteindelijk gewoon door. Zijn gezicht zag er
verschrikkelijk oud uit in dat smerige maanlicht. Mijn vader boog zich over het
bed. ‘Help eens even,’ fluisterde hij. Ik moest nonkel Rudy’s nachthemd
optillen. Dat deed ik. Ik was te dronken om te beseffen dat dit allemaal te ver
ging. Mijn vader keek grijzend naar de stoma. Ik zag hoe hij de schaar in het
plastic reservoir zette en er een gat in knipte. Ik liet het nachtkleed zakken.
We trokken de deken weer omhoog en strompelden naar buiten, elk naar onze eigen
kamer.
Ik
plofte neer op bed. Het viel me niet mee om in slaap te geraken. Ik was
misselijk. Dat had je natuurlijk als je lang niet gezopen had. Boven mij leek
de kroonluchter te draaien als een duivels reuzenrad dat bij elke omwenteling
mijn maag nog meer ineen deed krimpen. Ik begon te zweten en probeerde het
kokhalzen te onderdrukken door speeksel weg te slikken. Ik wist dat ik van mijn
leven mijn lamme benen niet meer in beweging zou kunnen krijgen om naar de
badkamer te kruipen. Ik hoopte dus op het beste en had geluk, want ik viel
uiteindelijk zonder overgeven in slaap.
De
volgende ochtend werd ik gewekt door afgrijselijk gekrijs dat op de ganse
overloop weergalmde. Het duurde enkele seconden voor ik de stem van nonkel Rudy
herkende. Daarna duurde het nog een aantal seconden voor de gebeurtenissen van
afgelopen nacht in vlagen aan me verschenen, als ongesorteerde puzzelstukjes.
Voor mij zag ik het beeld van mijn vader, de schaar en de stoma. Ik kreeg de
slappe lach, ondanks mijn houten kop.
Ik
stond op en liep de overloop op. Enkele familieleden, waaronder mijn vader en
tante Mathilde, stonden in de kamer van nonkel Rudy. Ik keek over hun schouders
naar het bed, waar de ouwe stakker in zijn eigen stront lag te spartelen. ‘Ik
heb gescheten,’ jammerde hij. De lakens waren smerig en het stonk er
verschrikkelijk.
Tante
Mathilde kneep haar neus dicht en schudde met haar hoofd. ‘Het wordt tijd dat
we aan een bejaardentehuis denken, vind je niet?’
Mijn
vader knikte. Hij keek naar me en ik zag een ondeugend glimlachje om zijn
lippen spelen. Hij leek weer een jongen van acht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten