Zo
kwam Selma eens een smoothie bestellen. Selma was een vriendin van een vriendin
(en van nog een andere vriendin, maar dat weet ik niet zeker meer). Een
ordinaire del alleszins. In onze tienerjaren hebben we wel eens geflikflooid. Puur
uit verveling, want mooi was ze niet. En dat was er eigenlijk nooit op
verbeterd. Ondertussen was ze achtentwintig en amper volgroeid, ze had zelfs geen
borstjes. Wel had ze lange tanden. Krankzinnige voortanden in een veel te smal gezicht.
De tanden kwamen over haar onderlip. Ik gokte dat ze een smoothie met
worteltjes zou nemen. Ik weet niet of ze mij echt niet herkende of gewoon deed
alsof. Ze bleef maar naar de menukaart staren, mompelde de verschillende smaken
en bestelde uiteindelijk: ‘Aambeien alstublieft.’
Ik kon
me wel vinden in haar keuze. Het zomerde. Het was heet, de hemel was
pastelblauw, waterachtig zelfs, de zon deed pijn aan de ogen en graspollen
zwermden als insecten door de lucht. Ik slikte pillen tegen mijn allergie. In
de bar was het trouwens veel te warm, ondanks de ventilator (de airco was
stuk). Boven de dertig graden. Wat een zeikweer. Ik snakte naar regen. Naar
wind. Naar winter. Ik had zin om te baden in de ijsmachine. Om maar te zeggen
dat een smoothie met aambeien een verfrissende keuze was.
‘Klein,
medium of groot?’ vroeg ik. Ik liet haar kiezen. Daarna zonderde ik me af in
het toilet met een plastic bekertje. Mijn broek plakte aan mijn billen en mijn
ballen. Ik stroopte ze omlaag. Met zulk weer deed ik nooit een onderbroek aan
want ik had een hekel aan dat knellende, zweterige gevoel rond mijn balzak. Ik
ging een beetje schuin zitten, steunde op mijn rechterbeen en hield met mijn
linkerhand het bekertje onder mijn anus. Ik perste dat het een lieve lust was. Ik
stak duim en wijsvinger van mijn vrije hand in het gaatje. Met mijn nagels
pitste ik de aambeien open en ving het vocht op in het bekertje. Ik moest
moeite doen om niet te krijsen van de pijn.
Op één
been staan was vermoeiend, maar gelukkig deed ik aan krachttraining: free
squats met tachtig kilogram op mijn schouders, vier sets van twaalf reps. Ik
vond mezelf een beest, maar kreeg toch stilaan krampen… en niet alleen in mijn
kuiten en quadriceps. Mijn darmen borrelden. De symfonie deed me denken aan een
gitaarrif van The Doors. Iets over vreemde mensen… Er kwam wat diarree mee.
Grotendeels vloeibaar met hier en daar een vlokje stront.
Wanneer
ik klaar was, ging ik terug naar de bar en goot het bekertje leeg in de
blender, voegde er ijsblokjes aan toe en drukte op de knop. Alles ging in een
nieuw bekertje. ‘Ziezo,’ zei ik, ‘dat is dan twee euro vijftig.’
Selma
betaalde gepast. Ze nam twee rietjes mee. Ik zag haar de straat oversteken met
haar smoothie. Mooie benen had ze wel, dat moest ik haar nageven, maar dat was
dan ook het enige. Ze ging op een bankje zitten naast een geblokte kerel, een
echte krachtpatser. Groot maar lelijk: een pokdalig gezicht en pluizig haar,
alsof het net weer begon te groeien na chemotherapie. Maar verdorie, hij zag er
ontzettend sterk uit. Als een os. Je moet weten dat ik destijds een fascinatie
had voor het mannelijk lichaam. Niets erotisch of zo, ik beschouwde het meer
als een studieobject.
Zo te
zien kende hij Selma goed. Hij legde zijn arm over haar schouder. Ze dronken
tegelijk van de smoothie, elk van hun eigen rietje. In hun wangen tekenden zich
diepe kuiltjes af. Ik zag hun blikken van blijdschap en verliefdheid prompt verbrokkelen
tot grimassen van afschuw. Ze begonnen te kokhalzen en braakten op de stoep. Ik
stond er gewoon naar te kijken. Ik vond het niet eens grappig. Het boeide me
allemaal niet. Selma liet het bekertje vallen. Haar vriend keek ernaar. Ze
discussieerden wat met elkaar. Over de inhoud van hun smoothie, gokte ik. Dat
viel althans af te leiden uit hun kolerieke gebaren.
Toen
stond die gozer op en stak de straat over, richting mijn smoothie-bar. Hij had
een harde blik op zijn gezicht, zijn ogen vurig en niets zou hem tegenhouden,
zelfs geen aanstormende autobus. Nog steeds kon het me weinig schelen. Ik
haalde mijn schouders op en keek geamuseerd toe. Selma volgde in zijn
voetspoor, kon hem amper bijbenen maar toen dat toch lukte, graaide ze naar
zijn hand. Zo kwamen ze samen binnen. Hij zwaaide de deur zo hard open dat ze
tegen de muur klepperde en het glas er bijna uit viel. ‘Wat zat er godverdomme
in die gore smoothie?’ bulderde hij.
Ik
keek naar zijn armen, de biceps en de triceps, een prachtige symbiose van
mannelijk vlees. Daarna keek ik naar zijn gezicht. Die lul zag verdomme scheel
dus ik wist niet in welk oog eerst te kijken. En het vervelende met zulke
klootzakken was dat ze altijd doorhadden dat jij begon te twijfelen en dan kreeg
je een soort karikatuur van twee revolverhelden die elkaar probeerden af te
troeven met hun dodende blikken. Ik focuste me op zijn linkeroog en zei:
‘Aambeien.’
‘Wat?’
zei Selma. Haar wenkbrauwen deden iets eigenaardigs. Het was niet echt fronsen.
‘Aambeien,’
zei ik weer.
Selma
en haar gozer begonnen opnieuw te kokhalzen.
‘Niet
binnen braken,’ probeerde ik nog, maar het was al te laat. Hun maaginhoud
kletterde op de tegels.
‘Ik
had aardbeien gevraagd.’
Ik
wist wel wat ze bedoelde, maar kon het niet laten haar te plagen en zei: ‘Dat
heb je natuurlijk met zulke tanden, daar kan je niet goed mee articuleren.’
Selma
was zo verbijsterd dat haar mond openviel zonder dat er nog een woord uitkwam.
Slechts een kreun van langgerekte verbazing. Wat later herpakte ze zich en zei:
‘Ik weet nog wie je bent, smeerlap, en reken er maar op dat ik tegen iedereen
zal zeggen dat jij je piemel destijds in mijn kont wilde duwen maar hem niet
omhoog kreeg.’
Verdorie,
dat was ik al vergeten. Ik haalde mijn schouders op. Het interesseerde me geen
bal. Ik keek weer naar de gozer en vroeg: ‘Wat zal het zijn, makker, meloen of
kokos?’
Blijkbaar
was hij niet in de stemming voor flauwekul want hij pakte de metalen bak met
rietjes van de toonbank en smeet hem met zijn brute kracht vol in mijn
aangezicht. Het ging zo snel dat ik me niet eens kon bukken. De hoek van de bak
kwam pontificaal op mijn voorste tanden terecht en ik voelde hoe ze afbraken en
hoe de tandwortels in mijn tandvlees verschoven. Ik geloof dat ik nog een
seconde of twee heb staan zwijmelen. Dan viel ik achterover.
Ik
werd pas wakker toen de baas een glas ijswater in mijn gezicht smeet. De klier.
‘Ze hebben klacht ingediend,’ zanikte hij. Mijn eerste reactie was om met mijn
tong aan het gat te voelen waar eerder mijn tanden nog hadden gezeten. Ik
probeerde overeind te krabbelen en zocht verwoed naar mijn tanden op de grond
in de hoop ze op een of andere manier te kunnen recupereren. Maar toen
herinnerde ik me dat ik ze had ingeslikt. Als het tegenzit, zit het goed tegen.
Tanden uitkakken met aambeien leek me niet meteen een feestje.
‘Hoor
je me?’ (De baas weer.) ‘Ze gaan klacht indienen, verdomme.’
Ik
haalde mijn schouders op. ‘Ik dien ook klacht in,’ mompelde ik.
‘O
ja?’
‘Ja, tegen
die stank uit je bek.’
De
baas gaf me een lel rond mijn oren. Ik voelde er amper wat van. Mijn kop was
één waas van pijn, verdoving en nog meer pijn, teveel pijn om nieuwe pijn te
registreren. En in mijn mond overheerste de vieze, koperachtige smaak van
bloed.
Een
week later had ik een afspraak bij de tandarts. Ik had hem aan de telefoon
uitgelegd dat ik gevallen was met mijn skateboard. Ik loog bovendien dat het
dringend was, aangezien mijn baas overwoog om me te ontslaan omdat ik op die
manier onmogelijk klanten kon bedienen. Slecht voor het imago van de zaak en
zo.
Ik zat
in de wachtzaal en luisterde naar de verschrikkelijke zaag- en boorgeluiden die
uit het kabinet kwamen. Een kwartiertje later zag ik dat stomme kutwijf van een
Selma naar buiten strompelen met haar hand voor haar mond. Wat een onwaarschijnlijk
toeval. Ik kon mezelf niet bedwingen en begon te schateren.
‘Rotzak,’
lispelde ze van achter haar hand, en ze verdween met een rooie kop.
Het
was mijn beurt. Ik begroette de tandarts. Ik ging zitten in de stoel. Ik legde nogmaals
uit wat het probleem was.
‘De
voorste tanden,’ herhaalde de tandarts, ‘juist ja.’ Hij staarde enkele seconden
uit het raam, waar de hemel eindelijk kil en grijs was. Was de herfst in
aantocht? ‘Het meisje dat hier voor jou was had ook een probleem met haar
voorste tanden. Toevallig, nietwaar?’
‘Welk
probleem?’ wilde ik weten.
‘Ze
waren te lang. Daardoor had ze een vreselijk spraakgebrek. Jezus, wat een
nachtmerrie om naar dat wijf te luisteren,’ zuchtte hij.
‘En
dan?’
‘Ik
heb haar voorste tanden getrokken. Volgende week gaan er nieuwe in. Een kleiner
formaat.’
‘Ach
zo.’ Lange tanden, korte tanden, Selma bleef een lelijke trut. Met sexy benen,
dat wel. Ik ging achterover liggen en keek in de felle lamp tot ik kleurrijke
caleidoscopen zag.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten