‘Ik weet zeker dat hij
het was.’ Tony stootte de blauwe bal een flink eind naast het gat en staarde
naar de geometrische chaos die hij op het groene laken gecreëerd had. Hij was
er duidelijk met zijn gedachten niet bij.
‘Honderd
procent zeker?’
‘Ja
verdomme,’ gromde hij. Tony was een collega die ondertussen een goede vriend
geworden was. Elke donderdagavond kwam hij bij me langs om te biljarten. ‘Hoe
dikwijls moet ik het nog zeggen?’
‘Rustig
maar.’ We gingen op de canapé zitten. Ik probeerde hem te sussen, maar het werd
alleen maar erger. Zijn gezicht liep rood aan en het schuim stond in zijn
mondhoeken. Zijn rechteroog flikkerde als een kapotte tl-lamp en ik kon amper
de drang weerstaan om er een tik tegen te geven. ‘En wat wil je eraan doen?’
vroeg ik.
Hij
ademde zwaar door zijn neus. Zijn borstkas ging op en neer. ‘Ik wil zijn kop
van zijn romp scheiden.’ Hij had de witte bal van de biljarttafel gegraaid en jongleerde
er mee. ‘Ik meen het serieus.’
Oké,
even uitleggen wat er gebeurd was, zodat je mee bent met het voorgaande en het
volgende in het juiste perspectief kunt plaatsen. Tony had een kat waarvan hij
zielsveel hield. Hij was nogal eenzaam en dat had alles te maken met zijn
handicap. Uitgerekend op zijn twintigste verjaardag – hij was stomdronken,
helemaal naar de klote en rende in een vlaag van zinsverbijstering dwars de
snelweg over – werd hij aangereden door een auto. Hij had het geluk dat de
chauffeur nog een onwaarschijnlijk manoeuvre uit zijn mouwen schudde en dat hij
daardoor nog leefde. Het slechte nieuws was dat zijn been er afgerukt werd en
dat hij nu een bionische beenprothese had. Vrouwen vonden hem afstotelijk en
mannen negeerden hem. Kinderen waren bang voor hem.
Tony’s
kat Kenneth was, samen met mij, zijn beste vriend en hij kwam vertellen dat
zijn buurjongen arme Kenneth door z’n kop had geschoten met een loodjesgeweer.
Het beest had nog even gestuiptrekt om enkele minuten later te sterven. Tony
hoorde dat joch triomferen vanuit zijn zolderkamer. Op dat moment voelde hij
alleen maar verdriet. Intens verdriet en radeloosheid die ondertussen gekanteld
waren naar intense woede. Razernij, haat, wraakzucht, noem maar op. Hij was
bereid om z’n buurjongen kapot te maken en daar had hij mij voor nodig. Er zou
geen politie aan te pas komen.
We
gingen naar de woonkamer. ‘Luister,’ zei ik, ‘ik heb een idee.’ Maar eerst gaf
ik hem een biertje.
‘Ik
heb iets sterkers nodig dan bier.’
‘Ik
heb niets sterkers, tenzij ontsmettingsalcohol.’
‘Verdomme,
geef me dan maar ineens twee biertjes.’
Ik
pakte het bier, ging zitten en begon over mijn idee te vertellen. ‘Die
appelsienen zijn geen probleem,’ legde ik uit, en ik wees naar de fruitschaal,
‘maar voor die juten zakken moeten we eerst naar Sonja.’
Tony
dronk van zijn bier. Het werden er uiteindelijk vier. Tussen de derde en de
vierde kreeg hij een huilbui. Hij jammerde over Kenneth. Ik had medelijden met
hem en gaf hem een zakdoek om zijn snottebellen af te vegen. Toen zijn vierde
pint op was, stond hij op en zei: ‘We gaan.’
Sonja
had een koffiebar en achter de bar was een loods waar ze haar eigen koffie
brandde. Allemaal bonen uit verre continenten. Ze lagen daar in juten zakken.
De loods rook heerlijk. Ik vroeg aan Sonja of we twee juten zakken mochten
hebben. Natuurlijk mocht dat. Het was een tijdje geleden dat ik haar gesproken
had, dus nodigde ze me uit in de bar waar ze Tony en mij trakteerde op koffie,
het ene kopje na het andere. Het was al laat. We dronken zoveel dat we helemaal
hyper werden. We stonden stijf van de caféïne. Ideaal voor mijn plan.
Tony
en ik keerden terug naar mijn appartement. Het ging allemaal wat trager met
zijn been en bovendien had hij last van zijn maag met al dat bier en die
koffie. In mijn appartement vroeg hij me nogmaals om alles uit te leggen. Ik
pakte een van de juten zakken en deed er vijf appelsienen in. Ik legde een
knoop in het uiteinde. ‘Zie je dit?’
‘Ja.
En dan?’ zei Tony.
‘Dit
is het perfecte moordwapen.’
Tony
fronste zijn wenkbrauwen en frunnikte wat aan zijn been. Zo te zien had hij
weer last van fantoompijn.
‘Als
we die kloothommel hiermee in elkaar rammen, schiet er van zijn organen niks
meer over, maar aan de buitenkant zie je niks aan ‘em.’ Ik zwaaide met de zak
in de lucht. Bijna sloeg ik de luster van het plafond. ‘Wat denk je?’
‘Jezus.’
Tony keek naar de overige appelsienen in de fruitschaal en naar de legen juten
zak. ‘Waar heb je dat idee vandaan?’
‘Een
of andere zwart-witfilm die ik enkele jaren geleden op televisie heb gezien. Ik
ben de titel vergeten.’
‘Zeker
een maffiafilm?’
‘Vast
wel.’
‘Dus
als we hem hiermee afranselen, zal hij bezwijken zonder dat er ook maar één
schrammetje op zijn lichaam te zien is?’
Ik
knikte. ‘Zo is het. Vanbinnen in frennen vaneen en vanbuiten zo goed als nieuw.
Geen bloed, geen gedoe.’
‘Dat
zou nog eens wat zijn.’ Tony liep naar de tafel en vulde de andere zak. ‘En
waarom precies vijf appelsienen en geen vier of zes?’
‘Geen
idee, gast. In die film deden ze er ook vijf in. Laten we het nu maar gewoon
doen zoals het hoort, oké?’
‘Oké.’
Tony mankte naar de badkamer waar hij speed ging shotten, iets wat hij
regelmatig deed als hij iets krankzinnigs van plan was. Zoals die keer toen hij
een jongetje van tien had bedreigd met een klauwhamer omdat die met zijn been
had gelachen. Anderen zouden valium slikken om te kalmeren, maar Tony dreef
zichzelf liever wat meer naar de rand met speed, de gek. Tien minuten later was
hij klaar en liepen we met onze juten zakken vol appelsienen naar zijn buurman.
‘Het
is belangrijk om enkel op zijn romp te meppen,’ zei ik onderweg.
‘En
wie slaat er eerst?’ Tony knarste driftig met zijn tanden. ‘Mag ik?’
We
belden aan. Ik had Tony’s buurjongen in het verleden weleens gezien. Het was
een rosse krollenbol, ergens tussen twintig en dertig, geen werk, geen vrienden
en hij kwam amper buiten tenzij om diepvriespizza’s te halen in de supermarkt.
Maar dat ettertje deed niet open.
‘Ik
denk dat hij onraad ruikt,’ zei Tony.
Ik zag
hoe zijn greep rond de juten zak verstrakte. Zijn kaken stonden gespannen van
de speed. Ik belde nog een keer aan. Ik deed enkele stappen naar achteren en
zag iets bewegen bij het venster op de eerste verdieping. Het ettertje had ons
in de gaten. ‘Hé, kom eens naar beneden,’ brulde ik. ‘We willen gewoon iets
vragen, meer niet.’ Tony was ondertussen op de voordeur aan het bonken. Ik
begreep dat het zo niet zou lukken. ‘Kunnen we niet achterom?’ vroeg ik.
‘Enkel
via mijn tuin,’ zei Tony.
We gingen
Tony’s huis binnen, liepen zijn tuin in – waar dode Kenneth lag – en klommen
over de omheining. De avond was volledig in duisternis opgelost. We stonden bij
de achterdeur, maar die was op slot. Nergens in het huis brandde licht, ook al
waren we er zeker van dat er iemand thuis was. Tony’s buurjongen had zich goed
verstopt daarbinnen. Met zijn elleboog sloeg Tony het glas uit de deur. Daarna
stak hij zijn arm naar binnen en morrelde aan het slot. Enkele tellen later
stonden we in het huis. Het rook er naar aangebrande pizza. En pis.
‘Volgens
mij is hij boven,’ gokte ik. Ik deed het licht aan, zag niemand in de hal, de
woonkamer of de keuken en liep vervolgens naar de trap. ‘Denk eraan Tony, enkel
op zijn romp meppen.’
Tony
kwam naast mij staan. Hij hield zijn zak met beide handen vast en ging als
eerste. Met zijn rug tegen de muur, zeer behoedzaam maar toch ongeduldig, sloop
hij naar boven. Een fusie van maanlicht en straatlantaarns scheen in een vuile,
onheilspellende kleur door de venstertjes op de overloop. Onze schaduwen
dansten op de muren. Toen ging het heel vlug. Eerst hoorde ik geschuifel,
daarna een schelle, ijzeren knal en zag ik een schim op de overloop. Die etter
stond daar met zijn loodjesgeweer op ons te schieten.
Ik
voelde niets. Tony begon te schreeuwen. ‘MIJN HAND!’ Zijn stem klonk rauw,
woest. Toen slaakte hij een langgerekte oerkreet die gevolgd werd door zijn
bulderende voetstappen op de trap, een ongelijkmatige symfonie vanwege zijn
bionisch been. Er ontstond een worsteling en ik slaagde erin om het licht op de
overloop aan te knippen. De buurjongen zag ons staan. Hij deinsde achteruit.
Tony hield de juten zak met appelsienen dreigend boven zich uit, gaf er een
zwier aan en liet hem terechtkomen op de schedel van die lelijke krollenbol.
Het
klonk niet zoals in de film. Helemaal niet zoals in de film. Ik hoorde hoe de
schedel verbrijzeld werd. De jongen zeeg in elkaar en viel languit op de grond.
Zijn linkerbeen stuiptrekte, daarna werd het stil. Ik keek naar Tony, wiens
blik verwilderd was, pure waanzin. ‘Ik had je nog zo gezegd om op zijn lichaam
te meppen.’
‘Ik
weet het.’
De
buurjongen lag dood op de grond. Er liep bloed uit zijn slaap. Het vormde een
aureool rond zijn hoofd. Het was intrigerend om naar te kijken.
‘Wat
was dat rare geluid, verdomme? Dat klonk niet bepaald als een appelsien.’
Tony
begon te grinniken als een puber die net een smerige grap met iemand had
uitgehaald. De pijn in zijn hand leek hij helemaal vergeten. Ik pakte zijn
juten zak af en maakte de knoop los. Ik voelde wat erin zat en diepte een hard,
rond voorwerp op. Ik hield het tegen het licht om het te bestuderen. Die linke
klootzak had verdorie stiekem die witte biljartbal in zijn zak verstopt. Tony
begon nog harder te lachen toen ik het ontdekte. Ik lachte mee. We gingen naast
het lijk zitten en keken toe tot het ophield met bloeden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten