vrijdag 9 maart 2018

Worteltaart van Albert Heijn ZUIGT

Spijt, dat heb ik als ik naar dat onnozel bakje worteltaart kijk. Jezus, die taart was mierzoet en werkelijk niet te vreten. Het gebeurt zelden dat ik dat soort geprepareerde maaltijden of desserts in de supermarkt koop, maar het zag er echt lekker uit. Nu zit ik met een wrang gevoel omdat mijn avond verpest is. Voor mij is een zoete afsluiter van de dag echt essentieel voor mijn emotioneel welbevinden. Ik denk dat ik de rest in de vuilnisbak ga kieperen. Toen ik deze blog opende zag ik bovendien dat de titel van het vorige bericht geen bal te maken heeft met het bericht zelf. Dat is makkelijk te verklaren. Ik was namelijk eerst van plan iets totaal anders te schrijven, maar veranderde van gedacht en daarna vergat ik de titel aan te passen. Dat bedoelde ik dus toen ik vorige week zei dat ik soms was slordiger te werk zou gaan. Van zulke dingen krijg ik het enorm op mijn zenuwen.

*kortsluiting*__--__*system error*__--__*REBOOT*

Om met een positieve noot verder te gaan: er zijn al twee verhalen van mijn manuscript geredigeerd en ik ben ervan overtuigd dat de redactie ze beter heeft gemaakt. Het tweede verhaal in mijn bundel speelt zich af in de wolkenkrabber waar ik vroeger gewoond heb, degene die ik je getoond heb tijdens onze eerst date. (Jij zou trouwens zeggen: die wat ik u getoond heb). Autobiografische elementen worden hier met fictie afgewisseld. Het was een heel leuk verhaal om te schrijven en ik hoop dat mijn twee lezers er minstens evenveel plezier aan zullen beleven ;-).

Love

Zo heet de serie die ik momenteel op Netflix kijk. Ze hebben net het derde seizoen erop gesmeten. Het is een ontspannende reeks over een verliefd koppel. Ik ben aan het nadenken hoe ik kan uitleggen waar het allemaal om draait, maar het lukt me niet. De hoofdpersoon heet Gus Cruikshank en heeft een grote neus. Zijn vriendin heet Micky Dobbs en heeft een coole stijl, zowel wat haar voorkomen als haar manier van zijn betreft.

Navelpluis

Er was eens een diep bedroefd jongetje dat op school gepest werd omdat hij geen vriendjes had. Eigenlijk was dat best schizofreen. Hij had geen vriendjes omdat hij gepest werd en omdat hij gepest werd, kon hij geen vriendjes krijgen. Enzovoort, enzovoort. Maar op een dag deed dat jongetje een eigenaardige ontdekking. Uit verveling tekende hij met zijn vingertop inwaartse spiralen op zijn buik. Wanneer zijn vinger uiteindelijk in zijn navel terechtkwam, vond hij een pluisje. Hij stak dat pluisje in een bokaal en de dag erna deed hij hetzelfde. Hij herhaalde dit patroon tot hij genoeg pluis had om een muts van te breien. Ondertussen was hij al twee jaar ouder en werd hij nog steeds gepest. Elke avond ging hij huilend naar bed. Voor hij zijn ogen sloot, deed hij twee dingen. Eerst voegde hij een nieuw pluisje toe aan zijn collectie en vervolgens keek hij nog een keer naar de bokalen die in het maanlicht glinsterden. Dat was een vast ritueel. Ze stonden op zijn kast, netjes naast elkaar, allemaal gevuld met pluisjes, in elke bokaal een andere kleur en gerangschikt volgens de kleuren van de regenboog. Omdat hij zelf niet kon breien, besloot hij om de volgende dag aan zijn overbuurvrouw te vragen of zij hem wilde helpen. Liever zou hij het aan zijn oma gevraagd hebben, maar die zat in een tehuis en noemde hem elke keer Kolonel Khadaffi als hij op bezoek kwam, gevolgd door een zelf verzonnen saluut. Het jongetje sloot zijn ogen en viel in slaap. Het zonlicht bescheen zijn gezicht toen hij weer ontwaakte. De lichtbundel brak in het dikke glas van de bokalen en strooide fonkelingen uit over heel zijn kamer. Maar hij kreeg een ijskoud gevoel in zijn maag, want de bokalen waren leeg. Vertwijfeld ging hij rechtop zitten. Jarenlang had hij gespaard voor dat pluis en nu was het ineens allemaal verdwenen. Op dat moment besefte hij dat zijn navelpluis het enige in zijn leven was waar hij gelukkig van werd. En nu hij dat niet meer had, begon hij te snikken. Waar was al dat pluis toch gebleven? De dekseltjes lagen naast de bokalen op zijn kast. De jongen staarde de kamer rond. Hij schrok zich een hartverzakking toen hij iets zachts aan zijn arm voelde. Schichtig keek hij opzij en zag een vormloze pluismassa naast hem op bed zitten. Het aaide over zijn arm. Het kronkelde, schokte en maakte eerst haperende en dan weer vloeiende bewegingen. De jongen wist niet wat er gebeurde, maar hij liet het toe. Hij was te verbaasd om zich te verzetten, te geïntrigeerd om weg te rennen. De pluismassa voelde warm aan en ergens in die hoop verscheen een opening, een mond die op het punt stond om te spreken. Een zeer diepe, bijna onhoorbare stem, als het gespin van een kat, weerklonk. De jongen moest hard zijn best doen om te verstaan wat het monstertje zei, maar hij wist heel zeker dat hij het goed gehoord had en begon gretig te knikken. Het monstertje had namelijk het volgende gevraagd: 'Wil jij alsjeblieft mijn vriendje zijn?'

Geen opmerkingen:

Een reactie posten