De volgende ochtend sloten we een pact.
Telkens als ik zo verdrietig was dat ik wenste dat de wereld ophield te
bestaan, mocht ik een van zijn pootjes uittrekken. ‘Maar dat wil ik helemaal
niet,’ zei ik. ‘Ik wil je geen pijn doen.’
‘Gedeelde smart is halve smart,’
antwoordde hij dan. Bobby was zijn naam. Destijds wist ik niet wat hij daarmee
bedoelde, maar het klonk als een wijze spreuk.
In het begin woonde Bobby in een
luciferdoosje. Daarna maakte ik een huisje voor hem met de juwelendoos van mijn
moeder. De buitenkant was helemaal versleten, maar de binnenkant was van mooi
rood fluweel. Bobby en ik vertrouwden elkaar geheimen en verzinsels toe. Soms
ook grapjes, al begreep ik zijn humor meestal niet. Zo vroeg hij eens wat het
verschil was tussen bij en een wesp. ‘Ik weet het niet,’ zei ik, en Bobby zei:
‘Een boterham met honing.’ Insectenhumor is iets bijzonders.
Toen ik zeven werd, verdween mijn vader van
de ene dag op de andere. Eerst snapte ik niet wat er aan de hand was. Ik miste
vooral zijn geur, een mengeling van zweet, sigaretten, alcohol en een sterk
parfum. Pas veel later besefte ik dat hij simpelweg gestopt was met van zijn
gezin te houden. Hoe zoiets kan moet je mij niet vragen. Echt begrijpen deed ik
het nooit, maar ik denk dat het zo ongeveer gebeurd is. Zo kwam het dat Bobby
nog maar vijf pootjes had. Het was raar om hem zo te zien. Maar het wende
sneller dan ik dacht.
Enkele jaren later stierf Bernadette. En
toen had Bobby nog maar vier pootjes. Bernadette was de dikke mevrouw die boven
ons in het flatgebouw woonde en elke zondag zelfgemaakte koekjes kwam brengen. Mijn
moeder liet haar altijd binnen. Dan zaten ze gezellig bij het venster te
keuvelen en naar buiten te kijken. Het flatgebouw was hoog en grijs en vuil en
leek elk moment te zullen instorten. Als het hard waaide buiten, wankelde het. Misschien
was dat slechts mijn verbeelding. De liften werkten nooit en de bewoners
spraken allemaal talen die ik niet verstond. Sommige bewoners zagen er vreemd
of grappig uit, andere heel lelijk en nog andere heel mooi.
Bobby’s aantal pootjes verminderde opnieuw
op de dag dat ik Sara vertelde dat ik verliefd op haar was, maar te horen kreeg
dat zij mij stom vond. Elf was ik. Nog erger vond ik dat zij verliefd was op
Ignace, de jongen die mij ooit een bloedneus had geslagen omdat ik kapotte
kleren droeg. Sindsdien probeerde ik Sara een stomme trut te vinden, maar dat
lukte niet. Ze bleef leuk. En zo mooi, met haar glinsterende ogen.
Ik trok nog een van Bobby’s pootjes uit
toen ik puisten begon te krijgen. Niet omwille van de puisten, maar omdat ik
niet paste in de wereld. Dat gevoel had ik tenminste. Ik was het puzzelstukje
in de verkeerde doos. Ik had wel vrienden en zo. Het was niet dat ik gepest of
geslagen of genegeerd werd, het was meer dat ik het gevoel had niet begrepen te
worden als het op belangrijke dingen aankwam. Daarmee bedoel ik dingen die
anderen onbenullig vonden terwijl ze dat voor mij niet waren. De enige die mij echt
begreep was Bobby. Of het nu ging over masturberen of de kleurrijke figuren
achter je ogen als je te lang in de zon had gekeken.
Nog voor mijn laatste puist verdween, werd
mijn moeder ziek. Kanker. Helemaal weggevreten vanbinnen. De dokters zeiden dat
de medicijnen haar nog enkele goede maanden konden geven. Zo goed vond ik die
maanden niet. Ze vermagerde en bibberde de hele tijd omdat ze koorts had. Soms
kraamde ze wartaal uit van de pleisters die op haar lichaam kleefden. Maar soms
was het ook heel komisch op een eigenaardige manier. Bijvoorbeeld die keer toen
ik haar kale kop aaide en we beiden een schok kregen van de statische
elektriciteit.
Uiteindelijk hielpen de pleisters niet
meer. Zodoende had Bobby nog maar één pootje over en dat vond ik ontzettend
zielig voor hem. Het zag er ook zo onlogisch uit. Als hij kroop ging hij altijd
in cirkeltjes en daar werd hij duizelig van. Ik was ontroerd omdat hij al die
tijd bij mij was gebleven. Omdat hij altijd geluisterd had. Omdat hij had
geprobeerd me op te vrolijken terwijl niemand anders wist wat te doen of zeggen
tegen mij. Werkelijk alles hadden we met elkaar gedeeld. Ik begon te huilen en
trok zijn laatste pootje uit. Om eerlijk te zijn was hij best mooi zonder
pootjes.
‘En wat nu?’ vroeg ik snikkend.
‘Ik heb nog steeds vleugels om weg te
vliegen,’ zei Bobby, ‘wanneer je eindelijk gelukkig bent.’ Dat deed Bobby dan
ook, uitgerekend op de dag waarop ik geadopteerd werd door een pleeggezin en
ontdekte dat jij mijn buurmeisje was en je de hele tijd naar me glimlachte en
mij stiekem zoende vlak voor de zon onderging en zei dat we het morgen nog een
keer konden overdoen als ik dat wilde.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten