zondag 11 februari 2018

Kever in een doosje

In mijn kindertijd bewaarde ik een kever in een doosje. Het was een heel speciale kever. Je zou kunnen zeggen dat hij mijn enige vriend was. We ontmoetten elkaar toen ik thuisbleef van school omdat ik waterpokken had. Ik lag in mijn bed, had hoge koorts en staarde de hele tijd naar het plafond. ‘Waterpokken zijn besmettelijk,’ had mijn moeder gezegd. Van het ene moment op het andere was hij daar. Ik zag de kever over het plafond kruipen, langs de schimmelkringen. Hij maakte cirkels die alsmaar kleiner werden, als een spiraal, tot hij zich vlak boven mijn gezicht bevond. Ik knipperde met mijn ogen, hij verdween, en opeens zat hij op mijn hoofdkussen. Omdat ik als de dood was voor kruipende insecten wilde ik hem eerst wegslaan, maar ik deed het niet. Waarom weet ik niet precies. Hij zei ‘hallo’ en ik zei ‘hallo’ terug. We raakten aan de praat. Het was een lang gesprek dat alle kanten op ging, van Super Mario en sneakers tot Rambo en de videoclip van Michael Jackson waarin hij in een zombie verandert. Uiteindelijk vielen we naast elkaar in slaap.
De volgende ochtend sloten we een pact. Telkens als ik zo verdrietig was dat ik wenste dat de wereld ophield te bestaan, mocht ik een van zijn pootjes uittrekken. ‘Maar dat wil ik helemaal niet,’ zei ik. ‘Ik wil je geen pijn doen.’
‘Gedeelde smart is halve smart,’ antwoordde hij dan. Bobby was zijn naam. Destijds wist ik niet wat hij daarmee bedoelde, maar het klonk als een wijze spreuk.
In het begin woonde Bobby in een luciferdoosje. Daarna maakte ik een huisje voor hem met de juwelendoos van mijn moeder. De buitenkant was helemaal versleten, maar de binnenkant was van mooi rood fluweel. Bobby en ik vertrouwden elkaar geheimen en verzinsels toe. Soms ook grapjes, al begreep ik zijn humor meestal niet. Zo vroeg hij eens wat het verschil was tussen bij en een wesp. ‘Ik weet het niet,’ zei ik, en Bobby zei: ‘Een boterham met honing.’ Insectenhumor is iets bijzonders.
Toen ik zeven werd, verdween mijn vader van de ene dag op de andere. Eerst snapte ik niet wat er aan de hand was. Ik miste vooral zijn geur, een mengeling van zweet, sigaretten, alcohol en een sterk parfum. Pas veel later besefte ik dat hij simpelweg gestopt was met van zijn gezin te houden. Hoe zoiets kan moet je mij niet vragen. Echt begrijpen deed ik het nooit, maar ik denk dat het zo ongeveer gebeurd is. Zo kwam het dat Bobby nog maar vijf pootjes had. Het was raar om hem zo te zien. Maar het wende sneller dan ik dacht.
Enkele jaren later stierf Bernadette. En toen had Bobby nog maar vier pootjes. Bernadette was de dikke mevrouw die boven ons in het flatgebouw woonde en elke zondag zelfgemaakte koekjes kwam brengen. Mijn moeder liet haar altijd binnen. Dan zaten ze gezellig bij het venster te keuvelen en naar buiten te kijken. Het flatgebouw was hoog en grijs en vuil en leek elk moment te zullen instorten. Als het hard waaide buiten, wankelde het. Misschien was dat slechts mijn verbeelding. De liften werkten nooit en de bewoners spraken allemaal talen die ik niet verstond. Sommige bewoners zagen er vreemd of grappig uit, andere heel lelijk en nog andere heel mooi.
Bobby’s aantal pootjes verminderde opnieuw op de dag dat ik Sara vertelde dat ik verliefd op haar was, maar te horen kreeg dat zij mij stom vond. Elf was ik. Nog erger vond ik dat zij verliefd was op Ignace, de jongen die mij ooit een bloedneus had geslagen omdat ik kapotte kleren droeg. Sindsdien probeerde ik Sara een stomme trut te vinden, maar dat lukte niet. Ze bleef leuk. En zo mooi, met haar glinsterende ogen.
Ik trok nog een van Bobby’s pootjes uit toen ik puisten begon te krijgen. Niet omwille van de puisten, maar omdat ik niet paste in de wereld. Dat gevoel had ik tenminste. Ik was het puzzelstukje in de verkeerde doos. Ik had wel vrienden en zo. Het was niet dat ik gepest of geslagen of genegeerd werd, het was meer dat ik het gevoel had niet begrepen te worden als het op belangrijke dingen aankwam. Daarmee bedoel ik dingen die anderen onbenullig vonden terwijl ze dat voor mij niet waren. De enige die mij echt begreep was Bobby. Of het nu ging over masturberen of de kleurrijke figuren achter je ogen als je te lang in de zon had gekeken.
Nog voor mijn laatste puist verdween, werd mijn moeder ziek. Kanker. Helemaal weggevreten vanbinnen. De dokters zeiden dat de medicijnen haar nog enkele goede maanden konden geven. Zo goed vond ik die maanden niet. Ze vermagerde en bibberde de hele tijd omdat ze koorts had. Soms kraamde ze wartaal uit van de pleisters die op haar lichaam kleefden. Maar soms was het ook heel komisch op een eigenaardige manier. Bijvoorbeeld die keer toen ik haar kale kop aaide en we beiden een schok kregen van de statische elektriciteit.
Uiteindelijk hielpen de pleisters niet meer. Zodoende had Bobby nog maar één pootje over en dat vond ik ontzettend zielig voor hem. Het zag er ook zo onlogisch uit. Als hij kroop ging hij altijd in cirkeltjes en daar werd hij duizelig van. Ik was ontroerd omdat hij al die tijd bij mij was gebleven. Omdat hij altijd geluisterd had. Omdat hij had geprobeerd me op te vrolijken terwijl niemand anders wist wat te doen of zeggen tegen mij. Werkelijk alles hadden we met elkaar gedeeld. Ik begon te huilen en trok zijn laatste pootje uit. Om eerlijk te zijn was hij best mooi zonder pootjes.
‘En wat nu?’ vroeg ik snikkend.
‘Ik heb nog steeds vleugels om weg te vliegen,’ zei Bobby, ‘wanneer je eindelijk gelukkig bent.’ Dat deed Bobby dan ook, uitgerekend op de dag waarop ik geadopteerd werd door een pleeggezin en ontdekte dat jij mijn buurmeisje was en je de hele tijd naar me glimlachte en mij stiekem zoende vlak voor de zon onderging en zei dat we het morgen nog een keer konden overdoen als ik dat wilde.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten